Elsevier – 28 juli 2007

NUTTELOOS OLIE-ACTIVISME

Shell en BP mijden Soedan onder druk van actiegroepen. Het helpt de mensenrechten niet, en in hun plaats verschijnen Aziatische bedrijven

Gerbert van der Aa in Khartoum

Olie is big business in Soedan. Sinds het land in 1999 begon met de export is het, net als in veel andere Afrikaanse landen, een snel groeiende bedrijfstak. Op de oever van de Nijl, in het centrum van de hoofdstad Khartoum, is het kantoor van de Chinese oliemaatschappij CNPC. Elders in de stad hebben Petronas uit Maleisië en ONGC uit India vestigingen geopend. Westerse oliemaatschappijen zijn de grote afwezigen. Door de oorlog in de westelijke regio Darfur, waar de regering met buitensporig geweld tegen rebellen optreedt, zijn ze afhoudend met investeren. Shell, Exxon Mobil, BP; geen van allen zijn ze in Soedan actief.

Mensenrechtenactivisten beweren dat oliemaatschappijen mede-verantwoordelijk zijn voor het geweld in Darfur, waar sinds 2003 naar schatting 200.000 mensen zijn omgekomen. De regering zou de opbrengst van de ongeveer 500.000 vaten olie die Soedan dagelijks produceert, gebruiken om de oorlog te financieren. John Prendergast van de invloedrijke International Crisis Group ijvert voor sancties tegen de olie-industrie in Soedan. Het Brits-Amerikaanse Sudan Divestment, waarbij onder meer acteur George Clooney is aangesloten, roept bedrijven op er geen zaken te doen.

Het Zweedse Lundin Petroleum, een relatief kleine speler, is een van de weinige westerse oliemaatschappijen die zich niets van de boycot-oproep aantrekken. Sinds 1997 zijn ze actief in Soedan, dat een van de armste landen ter wereld is. ‘Olie-export zorgt voor economische groei,’ zegt woordvoerder Maria Hamilton van Lundin Petroleum. ‘Dat op zijn beurt leidt tot afname van armoede. Daar is de hele Soedanese bevolking bij gebaat. Ook de mensen in Darfur.’

Amerikaanse oliemaatschappijen mogen al bijna vijftien jaar geen zaken doen in Soedan, doordat het sinds 1993 op de lijst van schurkenstaten staat. Het Canadese Talisman, dat het voortouw nam bij de ontwikkeling van de Soedanese olievelden, verkocht in 2003 zijn belang nadat het Amerikaanse Congres een wet aannam die sancties mogelijk maakt tegen buitenlandse bedrijven die zaken doen in Soedan. Rolls Royce, dat motoren levert voor het oppompen van olie, trok zich begin dit jaar vanwege de situatie in Darfur terug uit Soedan.

Oliemaatschappijen uit Azië zijn massaal in het gat gesprongen. Zij hebben geen last van mensenrechtenactivisten. In India en China bestaan nauwelijks burgerorganisaties die zich bemoeien met Darfur. Daardoor hebben bedrijven geen last van een mogelijke consumentenboycot of felle publiciteitscampagnes. De inspanningen van Westerse activisten versterken daardoor indirect de concurrentiepositie van Aziatische oliemaatschappijen tegenover westerse oliemaatschappijen.

‘Westerlingen hebben altijd wat te zeuren’, zegt het Soedanese parlementslid Al-Hibr Youssef Nour ad-Daim, leider van een van de kleinere regeringspartijen. Dat Westerse bedrijven afhoudend zijn om te investeren ziet hij als een pluspunt. ‘Europeanen en Amerikanen hebben de diepgewortelde neiging Afrikanen te behandelen met een misplaatst superioriteitsgevoel’, zegt het parlementslid. ‘Die houding ben ik meer dan zat. Geef mij maar Aziaten. Die behandelen ons tenminste met respect.’

Behalve uit China, India en Maleisië investeren ook steeds meer oliemaatschappijen uit andere Aziatische landen in Soedan. Al Thani Investment uit de Verenigde Arabische Emiraten, Zaver Petroleum uit Pakistan en PT Pertamina uit Indonesië hebben aanzienlijke belangen. Ook investeerders uit de voormalige Sovjetrepublieken, zoals Ascom uit Moldavië, ontwikkelen in Soedan olievelden.

Alleen in het uiterste zuiden van Soedan, dat sinds 2005 autonomie heeft, zijn westerse oliemaatschappijen wat minder zeldzaam. Doordat ze rechtstreeks zaken doen met de zuidelijke regering, die in de stad Juba zetelt, hebben ze niets te maken met Khartoum. De beschuldiging dat ze geweld in Darfur zouden aanwakkeren gaat niet op. Total uit Frankrijk en White Nile Petroleum uit Groot Brittannië hebben van de Zuid-Soedanese regering concessies gekregen om naar olie te boren.

China is veruit de belangrijkste investeerder in de Soedanese olie-sector. Maar ruchtbaarheid geven de Chinezen daar liever niet aan. ‘Ons beleid is om journalisten niet te woord te staan’, zegt Mei Qiguo van CNPC in Khartoum. In het volledig afgehuurde hotel langs de Nijl waar CNPC zijn Soedanese hoofdkantoor heeft, is Qiguo verrassend open over de motieven daarachter. ‘Van publiciteit heb je alleen maar last.’

Bedrijven in Europa en Amerika besteden doorgaans meer aandacht aan mogelijke negatieve sociale gevolgen van hun activiteiten dan bedrijven uit Azië. Door democratische controle ontkomen ze daar niet aan. Gevolg is dat de interventies van westerse activisten onbedoeld een negatief effect hebben. Doordat Aziatische bedrijven de plaats innemen van westerse bedrijven wordt de mensenrechtensituatie eerder slechter dan beter.

Ook in activistische kringen is om die reden groeiende kritiek op de oproep aan westerse bedrijven zich uit Soedan terug te trekken. Het Nederlandse IKV Pax Christi keerde zich openlijk tegen de internationale boycotcampagne van Sudan Divestment. De oproep niet in Soedan te investeren is een schoolvoorbeeld van een goedbedoelde actie waarover slecht is nagedacht.

Uit: Elsevier, 28 juli 2007

 

 

Plaats een reactie

Nog geen reacties

Comments RSS TrackBack Identifier URI

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s