Internationale Samenwerking – november 2007

‘ISLAMITISCHE HULP VERDIENT SLECHTE REPUTATIE NIET’ 

De Britse antropoloog Jonathan Benthall is een belangrijk kenner van islamitische liefdadigheidsorganisaties. Volgens hem is er sprake van een heksenjacht. ‘De beschuldiging dat ze terreur financieren is in bijna alle gevallen onbewezen.’

Door Gerbert van der Aa

Wat is een goede naam voor een internationale hulporganisatie? Bij de oprichting van het Rode Kruis, in 1864, was weinig aandacht voor die vraag. Bijna direct kwam er felle kritiek uit islamitische hoek. De link met de kruisvaarders, die in de Middeleeuwen met een kruis als symbool door het Midden Oosten trokken, was onontkoombaar. Daarom besloot de nieuw opgerichte hulporganisatie al snel ook andere symbolen toe te staan. Sindsdien heet het Rode Kruis in de islamitische wereld de Rode Halve Maan.

De Britse antropoloog Jonathan Benthall deed uitgebreid onderzoek naar de ontstaansgeschiedenis van de Rode Halve Maan. ‘In veel moslimlanden bestaat het diepgewortelde gevoel dat bekering tot het christendom het uiteindelijke doel is van veel westerse hulporganisaties.’ Dat een groot deel van de westerse hulporganisaties tegenwoordig opereert onder een seculiere paraplu, heeft het wantrouwen niet doen afnemen. ‘Het westen en het christendom worden veelal aan elkaar gelijk gesteld.’

In juni was Benthall in Nederland voor een conferentie over islamitische maatschappelijke organisaties, die georganiseerd was door het ISIM. (Internationaal instituut voor de studie van islam in de moderne wereld). Samen met een vijftal andere gerenommeerde wetenschappers discussieerde hij onder meer over de kwaliteit van islamitische hulp. Ook kwam de vraag aan de orde of westerse hulporganisaties wel of niet moeten samenwerken met islamitische organisaties.

In Nederland en andere Westerse landen staan islamitische hulporganisaties in een kwaad daglicht, omdat ze de gewapende strijd van groepen als Hamas en Al Qaida zouden steunen. Is dat terecht?

‘In de jaren tachtig van de vorige eeuw waren er met name in Afghanistan behoorlijk wat islamitische hulporganisaties die de gewapende strijd van de mujahideen tegen de Russische bezetting financierden. Maar zij waren niet de enigen. Behalve van sommige islamitische hulporganisaties kregen de mujahideen ook wapens van de Amerikaanse regering.’

‘Na de aanslagen van 11 september beweerden de Amerikanen dat talloze islamitische hulporganisaties betrokken waren bij de financiering van Al Qaida. Maar daarvoor is nooit overtuigend bewijs geleverd. Geen enkele islamitische hulporganisatie is de afgelopen jaren in de Verenigde Staten veroordeeld voor steun aan terrorisme. Bijna alle verdachtmakingen zijn onbewezen.’

‘In het algemeen vind ik het volkomen onterecht dat islamitische hulporganisaties in zo’n kwaad daglicht staan. Er zijn zoveel andere manieren om geld van het ene land naar het andere te brengen. Ik begrijp niet goed waarom vooral de Amerikanen voortdurend met de beschuldigende vinger naar islamitische hulporganisaties wijzen. Het doet me heel erg denken aan de heksenjacht op communisten vijftig jaar geleden.’

In uw boek The Charitable Crescent (2003) schrijft u dat negentig procent van het budget van Hamas besteed wordt aan liefdadigheid en tien procent aan de gewapende strijd tegen Israel.

‘Dat klopt. Maar Hamas heeft altijd een zeer strikte scheiding aangebracht tussen geld voor armoedebestrijding en geld voor gewapende strijd. Voor donoren is dat helder. Hamas heeft talloze humanitaire afdelingen, mensen die daar geld aan geven weten zeker dat hun geld besteed wordt aan armoedebestrijding. Wie de gewapende strijd wil steunen, geeft geld aan een andere afdeling. Er wordt geen geld overgeheveld van de ene naar de andere tak.’

‘Ik heb me de afgelopen maanden verdiept in Hamas omdat ik help bij de verdediging van Tariq Ramadan, de bekende Zwitserse moslimintellectueel. Hij kreeg geen visum voor de VS omdat hij 1500 euro had gegeven aan een Zwitserse organisatie die samenwerkt met een Palestijnse hulporganisatie die gelieerd is aan Hamas. Vlak nadat Ramadan geld had gestort, zetten de Amerikanen de organisatie zonder duidelijke reden op een zwarte lijst. Ramadan kreeg daarna het verwijt dat hij terrorisme steunt. Volstrekt onredelijk.’

‘In mijn eigen land Groot Brittannië is gelukkig minder sprake van een heksenjacht. Daar worden verdenkingen eerst onderzocht, voordat een organisatie op een zwarte lijst komt. Goed voorbeeld zijn de beschuldigingen aan het adres van Interpal. Volgens de Amerikanen is Interpal een terroristische organisatie, wat leidde tot een onderzoek van de Britse charity commission. Omdat er geen bewijzen boven tafel kwamen, mag Interpal in Groot Brittannië gewoon geld blijven inzamelen.’

Welke islamitische hulporganisaties zijn volgens u boven elke twijfel verheven?

‘Ik heb groot respect voor Islamic Relief Worldwide, de grootste islamitische hulporganisatie ter wereld die in 1984 in Birmingham werd opgericht. De afgelopen jaren heb ik in diverse landen, zoals Indonesië en Mali, hun projecten bezocht. Ze zijn erg professioneel. Hulp is volledig gescheiden van bekering, geldstromen zij transparant. Overhead-kosten zijn laag. Ook de Britse organisaties Muslim Aid en Muslim Health zijn goed.’

In welke organisaties hebt u minder vertrouwen?

‘Zover ik weet is geen enkele grote islamitische hulporganisatie die op de Amerikaanse zwarte lijst staat door een rechter veroordeeld voor terrorisme. Wel is zeker dat het Amerikaanse Benevolence International op meerdere plaatsen in de wereld islamitische gewapende groepen steunde. De directeur gaf in 2003 voor een Amerikaanse rechtbank toe dat hij rebellen in Bosnië en Tsjetsjenië van uniforms, tenten en schoenen had voorzien. Hij kreeg elf jaar gevangenisstraf voor fraude met hulpgeld. Maar voor de aantijging dat de directeur banden had met Al Qaida was geen bewijs.

Zijn islamitische hulporganisaties gevoelig voor kritiek?
‘Jazeker. De Islamic International Relief Organisation uit Saudi Arabië kreeg in de jaren negentig het verwijt dat ze in de voormalige Sovjet republieken veel geld besteedde aan islamisering van de bevolking. De afgelopen jaren is hun bekeringsdrang aanmerkelijk minder geworden. Er zijn wellicht binnen de organisatie nog individuen die aan bekering doen, maar de organisatie als geheel heeft dat niet meer als doelstelling.’

Behalve islamitische hulporganisaties zijn er ook heel wat christelijke organisaties die hulp gebruiken om mensen te bekeren. Samaritan’s Purse, de liefdadigheidsorganisatie van de Amerikaanse dominee Franklin Graham, kwam een paar jaar geleden in het nieuws omdat ze aan moslims in Irak Bijbels uitdeelden.

‘Dat waren ze inderdaad van plan, maar ze zijn tegengehouden door de Amerikaanse regering. Wellicht omdat het agressie zou opwekken in Irak. Ook andere christelijke hulporganisaties, zoals World Vision, hebben een lange traditie in het combineren van liefdadigheid met evangelisatie. Officieel is het geen deel van hun beleid, maar net als bij sommige islamitische hulporganisaties zijn er binnen World Vision relatief veel individuen die tijdens hun werk op eigen houtje aan bekering doen.’

Vorig jaar deed u onderzoek naar islamitische hulp in Mali. In het dorp Gourma Rharous onderzocht u de projecten van Islamic Relief Worldwide. Wat waren u conclusies?

‘Ik was zeer onder de indruk. Islamic Relief Worldwide werkt sinds 1997 in Gourma Rharous en is daar op dit moment de enige hulporganisatie. Ze steunen onder meer scholing, micro-krediet en een lokaal radiostation. Het goede van hun projecten is dat ze heel erg geworteld zijn in de samenleving. De coördinator, een lokale Touareg, is een bruisende man die dag en nacht aanspreekbaar is. Elke avond komen tientallen mensen uit alle lagen van de bevolking naar zijn huis om thee te drinken en te discussiëren.’

‘Een van de projecten die me in Gourma Rharous het meest aanspraken was een vrouwenassociatie, die matten maakt van palmbladeren. Me steun van Islamic Relief Worldwide hebben ze hun eigen marketingorganisatie opgezet, zodat ze nu zonder bemoeienis van tussenhandelaren zelf hun matten op de markt kunnen verkopen. Daardoor hebben de vrouwen sinds kort een eigen inkomstenbron, wat hun onafhankelijkheid vergroot.’

Zag u in Mali verschil tussen Islamitische hulp en westerse hulp?

‘Om Islamic Relief Worldwide te vergelijken met Europese hulporganisaties bezocht ik een aantal dorpen in de buurt van Gourma Rharous. In het naburige Gossi was Norwegian Church Aid jarenlang actief. Hun compound, met air conditioned kantoren en een tennisbaan, ligt er nu verlaten bij. Mensen in Gossi zeggen dat ze respect hadden voor het werk van de Noren, maar klagen dat de organisatie te weinig voeling had met de samenleving. Hulp kwam vaak op de verkeerde plaats terecht.’

‘In een ander naburig dorp had een westerse hulporganisatie een aantal mechanische pompen met een zwengel gebouwd, zodat vrouwen makkelijker water uit de put kunnen halen. Dat werkt uitstekend zolang de pompen heel blijven. Maar toen ze kapot gingen, was er niemand om ze te maken. Traditioneel halen Malinezen water met emmers of rubber zakken uit de put. Dat is uiteindelijk het meest duurzaam.’
‘Een van de fouten die westerse hulporganisaties nogal een maken is dat ze rechtstreeks zaken willen doen met gemarginaliseerde groepen, zonder eerst de lokale leiders uitvoerig te raadplegen. Een vrouwenproject in Mali kan pas succes hebben als de mannen in de gemeenschap het voor de volle honderd procent steunen. Als dat niet het geval is, dreig je tweespalt te creëren binnen een dorp. Dat kan niet de bedoeling zijn.’

Dus uw conclusie is dat islamitische hulp in Mali beter werkt dan westerse hulp?

‘In een land als Mali, dat voor bijna honderd procent moslim is, denk ik dat islamitische hulp in het algemeen inderdaad het beste werkt. Religie speelt een belangrijke rol bij ontwikkeling. In christelijke delen van Afrika is hulp via de kerken vaak het meest effectief, in islamitische gebieden is het goed om moskeeën in te schakelen. Religieuze organisaties zijn in Afrika de meest effectieve grass roots organisaties. Als je iets wilt opbouwen, moet je daar beginnen.’

Vindt u dat westerse hulporganisaties nauwer moeten samenwerken met islamitische hulporganisaties?

‘Dat juich ik toe. En in de praktijk zie je het ook al steeds vaker gebeuren. Van beide kanten bestaat de bereidheid. Een organisatie als Oxfam werkt volop samen met Islamic Relief Wordwide, net als de katholieke Britse hulporganisatie Cafod. De hulp aan Somalië is daar een goed voorbeeld van. Organisaties als Oxfam en Cafod erkennen dat het netwerk van Islamic Relief Worldwide daar beter is dan hun eigen netwerk, dus laten ze hun hulp via die kanalen lopen.’

Hulporganisaties benadrukken bijna altijd dat ze neutraal zijn en geen partij kiezen in politieke conflicten. U gaat daar tegen in. Een terugkerend thema in uw publicaties is dat hulp vrijwel nooit neutraal is. Kunt u toelichten waarom?

‘Neutraliteit is een utopisch idee. Neem de situatie in de Soedanese regio Darfur. Hulpverleners worden daar op alle mogelijke manieren tegengewerkt door de Soedanese regering. Ze durven nauwelijks nog mensenrechtenschendingen aan de kaak te stellen, omdat ze dan de kans lopen het land te worden uitgezet. Maar juist door te zwijgen zijn ze niet neutraal meer. Als je wantoestanden niet aan de kaak stelt, word je op een bepaalde manier medeplichtig.’

‘Ook in een land als Mali, waar geen oorlog heerst, kan een hulporganisatie bijna onmogelijk neutraal zijn. De regering zet de kaders uit waarbinnen hulporganisaties dienen te opereren, wat in het geval van Mali betekent dat ze de decentraliseringspolitiek actief dienen te steunen. Daardoor voeren bijna alle hulporganisaties in de praktijk regeringsbeleid uit. Ik denk overigens niet dat dat slecht is. Hulp hoeft niet neutraal te zijn om te kunnen werken.’

‘En dan is er nog de culturele component. In Afghanistan hebben veel mannen er problemen mee als een mannelijke westerse arts hun zieke vrouw behandelt. In de lokale omstandigheden is zoiets ondenkbaar, maar in Europa en Amerika vinden we dat heel gewoon. Door je westerse manier van werken zonder aanpassingen over te plaatsen op een land als Afghanistan, gaat neutraliteit automatisch verloren.’

BIOGRAFIE
Jonathan Benthall (1941) is als antropologisch onderzoeker verbonden aan het University College in Londen. Hij werd geboren in India, waar zijn vader een bedrijf had dat jute produceerde. Toen hij vijf was stuurden zijn ouders hem naar Groot-Brittannië, waar hij in Dorset op een kostschool werd geplaatst. Daarna studeerde Benthall aan Eton College en in Cambridge. Van 1974 tot 2000 was hij directeur van de Royal Antropological Society in Londen. Nadat hij zich aanvankelijk vooral bezig hield met de berichtgeving in de westerse media over humanitaire rampen in de Derde Wereld, verschoof zijn aandacht naar islamitische hulporganisaties. Sinds 2005 is Benthall betrokken bij het Montreux Initiative, een project gefinancierd door de Zwitserse overheid dat juridisch advies geeft aan islamitische hulporganisaties die zijn aangeklaagd voor terroristische activiteiten. Een nieuw interessegebied van Benthall is de opkomst van de dierenactivisme. Dit voorjaar schreef hij een artikel in Anthropology Today, waarin hij de groeiende populariteit van de dierenrechtenbeweging probeert te verklaren.

Uit: Internationale Samenwerking, november 2007

Plaats een reactie

Nog geen reacties

Comments RSS TrackBack Identifier URI

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s